Manse en Kalle zagen het levenslicht in 1936 door toedoen van de eerste toenmalige
pastoor Frans Robberechts van het gehucht Asbeek (Asse), de plaatselijke kunstschilder
Karel de Bauw en de schrijver Wies Moens. Kenners rekenen hen onder de oudste reuzen van
het vlaamse land.

Buiten het opvrolijken van jubilea moesten de Reuzen ook meewerken aan de eerste Vlaamse
kermis in het toenmalige 'goed' of domein van dokter Gautot. De opbrengst diende voor het
afwerken van de bouw van de nieuwe kerk en in het bijzonder om de aanschaf van een orgel
te bekostigen.

Na nog een tweede Vlaamse kermis het jaar nadien, mochten zij gaan rusten.
Ze sliepen op een hooischelft. Bij de bevrijding na de tweede wereldoorlog heeft iemand
ze wakker gemaakt. Enkele soldaten die terugkwamen van het front werden toen door Manse,
Kalle en entourage verwelkomd en gehuldigd.

Maar in al die jaren bleven ze niet van ongevallen en ziekte gespaard. Houtworm tastte
hun ledematen aan en kwetsuren ten gevolge van valpartijen en transport kwamen regelmatig
voor.
Vermits de verzekering voor deze schadegevallen niet kan aangesproken worden moet de
Reuzengilde zelf instaan voor deze soms belangrijke kosten.
In 1980 kregen Manse en Kalle een zoon. Hij kreeg de naam Susken (naar de geestelijke
vader F. Robberechts) en werd gedoopt door niemand minder dan Pastoor Munte uit de in
die tijd populaire televisiereeks 'Wij Heren van Zichem'. De meter was Wanne uit Wambeek , de peter Naren uit Lombeek.

De twee grootsten zijn ongeveer 3,75 m hoog en werden voorzien van een onderstel
op wielen. Susken is een goeie 3 meter groot en wordt gedragen door leden van de gilde.
Samen met een 25-tal begeleiders in folklorekledij uit de streek nemen ze deel aan
allerlei feesten en stoeten. Eigenlijk zijn ze wat dat betreft de 'grootste culturele ambassadeurs ' van Asse en omstreken. Ambassadeurs die de schoonheid van de streek en de mensen weerspiegelen en uitstralen naar iedereen die er voor openstaat.